- Opleidingsaanbod
- Planeconomie & Vastgoedrecht
- Duurzaamheid in gebiedsontwikkeling
- Bodem
- Asset Management Gemeentelijk Vastgoed
- Woningcorporaties
- Basiscursus Bodem
- Opleiding Grondzaken
- Incompany Trainingen
- Losse masterclasses
- Nieuws
- Scobe Academy
- Contact en route
Duurzame gebiedsontwikkeling
Intern salderen bij plannen: Raad van State trekt de teugels aan én verduidelijkt!
dinsdag 10 februari 2026
De stikstofjurisprudentie heeft er een nieuw hoofdstuk bij. Op 14 januari 2026 velde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State haar oordeel over het bestemmingsplan Pasgeld‑West van de gemeente Rijswijk.[1] Wat begon als een lokaal geschil over een nieuwe woonwijk, groeide uit tot een uitspraak die het hele ruimtelijke‑ordeningslandschap opnieuw in beweging zet. De Afdeling kiest voor een strakkere lijn: intern salderen mag niet langer in de voortoets worden gebruikt.
Lokale zaak met landelijke impact
Het bestemmingsplan Pasgeld‑West voorziet in 1000 woningen, een integraal kindcentrum, sportvoorzieningen en groen. Stichting Pasgeld Natuurlijk verzette zich tegen het plan en wees op de uitspraak van 18 december 2024, waarin intern salderen bij projecten al was ingeperkt[1]. De vraag was nu: geldt die lijn ook voor bestemmingsplannen?
De gemeente Rijswijk vond van niet. Plannen zijn immers anders dan projecten, zo betoogde zij. Maar de Afdeling ging daar niet in mee. In de uitspraak staat: “Het wettelijk kader uit artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming geldt voor zowel plannen als projecten.”
1. Referentiesituatie
De referentiesituatie, dat is ‘de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie’, mag niet meer worden gebruikt om in de voortoets te laten zien dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt. De voortoets moet voortaan kijken naar de nieuwe activiteit op zichzelf. De Afdeling: “De referentiesituatie mag niet worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten.”
Het gevolg laat zich raden: veel meer plannen zullen automatisch uitkomen bij een passende beoordeling. Intern salderen verschuift naar de passende beoordeling, maar wel met een nieuwe drempel. In de passende beoordeling mag intern salderen nog wel, maar onder striktere voorwaarden dan voorheen. De voordelen van beëindiging of wijziging van activiteiten moeten vaststaan, juridisch verzekerd zijn en passen binnen de systematiek van mitigerende maatregelen.
2. Additionaliteitsvereiste
Maar vooral: intern salderen kan alleen als wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste. De Afdeling zegt het zonder omwegen: “Intern salderen kan alleen als voldaan is aan het additionaliteitsvereiste.” Dat additionaliteitsvereiste betekent dat de stikstofruimte uit de referentiesituatie niet nodig mag zijn als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel voor Natura 2000‑gebieden. De gemeente moet dit per concreet plan aantonen. Daarbij geldt een nieuwe verplichting: de “vergewisplicht”.
3. Vergewisplicht
De Afdeling formuleert het zo: “De raad kan aan zijn motiveringsverplichting voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan”. Met andere woorden: de gemeenteraad moet actief nagaan of provincie of Rijk de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig achten voor natuurdoelen. Alleen als uit openbare bronnen blijkt dat dit niet het geval is, mag intern salderen worden ingezet. Deze vergewisplicht geldt bovendien voor alle mitigerende maatregelen in een bestemmingsplan, dus ook voor extern salderen.
Betekenis voor de praktijk
“Eigenlijk is de uitspraak van 14 januari best positief”, aldus Ruud Broekman van De Essentie, een bureau dat bij veel stikstof opgaven is betrokken. “Want het hete hangijzer in de verantwoording voor het toepassen van salderen is de additionaliteitstoets. Kortgezegd: als je stikstofruimte gebruikt met salderen voor je project of plan was het maar de vraag of dat volgens Rijks- of provincie regels mag en/of dat de ruimte gebruikt moest worden voor natuurherstel”. De recente uitspraak zegt nu: als gemeente ben je bevoegd gezag voor het vaststellen van het ruimtelijke plan en heb je een vergewisplicht bij je motivatie. Als vervolgens de provincie (of het Rijk) jouw specifieke salderingsmaatregel níet expliciet benoemd als noodzakelijk voor natuurherstel, dan mag je ‘m gewoon inzetten voor je plan. Kortom: de uitspraak geeft duidelijke invulling en richting aan hoe je additionaliteit in een plan moet verantwoorden. En die richting was er tot voor kort nog niet; aldus Ruud Broekman.
Plan-mer.
Ruud ziet nog wel een probleem: “Als je een Passende Beoordeling opstelt voor een plan, dan ben je verplicht een plan-mer te doorlopen. Dat is wel een inhoudelijke en procedurele ‘lastenverzwaring’ voor je ruimtelijke besluit. Echter, ik zie dat je veelal het instrument van de plan-mer beoordeling kunt inzetten om de volledige mer-procedure te voorkomen. En die beoordeling is niet zo veel werk – sterker nog, in veel gevallen zal die inhoudelijk al gereed zijn (maar dan als project-mer-beoordeling)”.
Conclusie: uitspraak met systeemimpact
Deze uitspraak betekent een subtiele, maar ingrijpende verschuiving: gemeenten moeten aantoonbaar controleren wat andere overheden doen. Een maatregel die er al aan zat komen en waarop je kon voorbereiden.
Literatuur
[1] https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2024:4909&showbutton=true&keyword=ECLI%253aNL%253aRVS%253a2024%253a4923%2Ben%2BECLI%253aNL%253aRVS%253a2024%253a4909&idx=1